Beschrijving van de plant
De pindaplant (Arachis
hypogea) behoort tot de familie der vlinderbloemigen, net als bonen,
erwten en klaver.
Onder goede omstandigheden wordt de plant
zo'n 50 cm hoog. Pindaplanten groeien kruipend over de grond of staan
rechtop. Aan de plant zitten gele bloemen, die in de bladoksels ontstaan
en 1 tot 2 cm lang worden. De bloemen bloeien maar een halve dag. De
bloei begint bij zonsopgang en 's middags zijn de bloemen al verwelkt.
In de tussentijd heeft de plabt zichzelf bevrucht.
Na 4 dagen groeit uit de bloem een steel. Het uiteinde van die steel
bestaat uit een harde punt, die zich in de grond boort. Dit is in de
natuur een uniek verschijnsel.
Een theorie is dat de plant zich in de grond werkt om de zaden te beschermen
tegen de vraat van dieren. Eenmaal onder de grond beginnen er na zes
dagen vruchten aan de steel te groeien. In deze peulen zitten de zaden
met roodbruine vliesjes. Een vrucht met zaden is de pinda in de dop.
Pinda's groeien net als aardappels onder de grond. De pindaplant is
kruidachtig en 1-jarig, wat betekent dat ze maar 1 keer vruchten oplevert.
Dat zijn er dan nog zo'n 40.
De bekende soorten pinda's die veel verbouwt worden zijn de Virginia
(om al of niet gezouten te eten), de Spaanse Valencia (geschikt voor
pindakaas of om zomaar te eten) en het Runner-type (vooral geschikt
voor pindakaas).
(bron: 'Een potje pindakaas', De
Kleine Aarde 1991)
De wereldreis van de pindaplant
(bron:
Ernst 'peanut' Neering)
De
pinda komt van oorsprong uit Zuid-Amerika. Garcilaso de la Vega beschreef
in zijn geschiedenis van de Incas (1609) dat pindas al voor de komst
van de Spanjaarden gekweekt werden door Incas in het kustgebied van
Peru, dus in de 15e eeuw en mogelijk al ver daarvoor. Want de pinda
kent een veel langere historie.
Er zijn pinda-resten gevonden in de upper Zana Valley in noord Peru,
die gedateerd zijn op 6000 B.C.. Hammons (1982) geeft aan dat in Peru
de plant al gecultiveerd werd aan het begin van de aardewerk tijd (1500
tot 1200 B.C.) In Casma Valley werden pindas gevonden uit de periode
1800 tot 1500 B.C. De Incas in de kuststreek noemden de pinda YNCHIC,
maar de la Vega rapporteerde ook dat de Spanjaarden de naam MANI, die
op de Antillen gebruikt werd, introduceerden. Dit vinden we nog terug
in de Spaanse naam voor pinda.
| Wat zeggen de genetici hiervan? (1)
Er is gesuggereerd dat zulke oude vondsten in Peru er op wijzen
dat de plant daar op een of andere wijze heen gebracht is (omdat
de wilde verwanten allemaal ten oosten van de Andes voorkomen)
en in Peru zijn genoom verdubbeld heeft (allotetraploidie samengesteld
uit het genoom van twee wilde diploide voorouders) waardoor de
zaden groot werden en het interessant werd de plant te gaan telen.
(Genetic Significance and Implications of Peanut
Artifacts Recovered from a Royal Tomb, Sipan, Peru. Donald J.
Banks in Proceedings APRES 1994: 95-99)
|
De oudste melding door een Europeaan is van Bartolome
Las Casas, in 1502 aangekomen in Hispaniola (Haiti) en daar werkzaam
als missionaris van 1510 tot 1547. Zijn 'Apologetic History' begon hij
te schrijven in 1527 maar het boek kwam pas uit in 1875.... Hij vermeldt
de naam MANI. De vroegst gepubliceerde beschrijving is waarschijnlijk
van Fernandez de Oviedo y Valdes, die in 1513 te Hispaniola arriveerde.
In 1525 zond hij Karel de Vijfde zijn 'Sumario Historia; dat in 1527
te Toledo werd gedrukt. In 1535 begon hij de publikatie van 'Historia
general de las Indias' waarin hij het algemeen voorkomen van de pinda
(met de naam MANI)
op Haiti en andere eilanden beschrijft.
Naar Europa
Bruikbare planten werden al vanaf de eerste
reis van Columbus
verzameld en mee terug gebracht naar Europa. De eerste
vermelding van introductie van pinda in Europa is van Nicolas
Monardes in Sevilla (1574). Hij kreeg ze vanuit Peru toegestuurd.
De pinda bereikte de Philippijnen met de
Acapulco-Manila galjoen lijn. Die lijn was waarschijnlijk van de Spanjaarden.
De Spanjaarden en Portugezen brachten de pinda ook naar Afrika.
|
Genetici over de pinda (2)
Het genencentrum van de pinda ligt in Bolivia en omringende
landen, secundair genencentrum is Afrika.
Afrika is al vroeg een secundair centrum van diversiteit geworden
omdat de pindas van verschillende plaatsen in Zuid Amerika kwam
en er nogal wat van het oorspronkelijk Zuid Amerikaanse materiaal
verloren is gegaan, dat in Afrika overleefde.
Alle soorten in genus Arachis komen uit Zuid Amerika. Ze
komen voor tussen noord-oost Brazilie tot noord-west Argentinie,
van de zuid kust van Uruguay tot de Mato Grosso, dus van Andes
tot Atlantische Oceaan, ten zuiden van het Amazone gebied. Als
er in Afrika over groundnut gesproken wordt kan het zijn dat de
Bambarra groundnut [Vigna (was Voandzeia)
subterranea] bedoeld wordt. Die vormt een een-zadige peul
en is niet verwant aan Arachis groundnuts.
|
Van Afrika weer naar Noord Amerika
Van Afrika ging de pinda dankzij de slaven met name naar Noord Amerika
en delen van het Caraibisch gebied, mogelijk ook de Guyanas.
En vanuit Azie weer naar huis
Meest verbouwde varieteit in Suriname is 'Matjan', die in een hoeveelheid
van TWEE PEULEN in de vijftiger jaren uit ....... INDONESIE kwam!
Verbouw: 8 miljoen hectare in India
De belangrijkste produktielanden van pinda's zijn nu China, India, Nigeria,
Verenigde Staten, Sudan, Argentinie en Indonesie.
Het grootste areaal ligt in India. Tweede is China waar de opbrengst
per hectare 2,5 maal hoger ligt zodat daar meer tonnen geproduceerd
worden.
Als je in India goed naar bodem en klimaat kijkt zou je die 8 miljoen
ha afkeuren voor pinda. Een van de vele raadsels van India. De grond
is vaak te lemig/kleiig om de pindas makkelijk uit te trekken. Door
stenigheid vrijwel nergens te mechaniseren. In de meeste produktiegebieden
is te weinig neerslag en is er dus veel te weinig vocht in het bodem-profiel
om meer dan 500 kg per hectare te produceren. Gezien de kosten van zaaizaad
(al gauw tegen 100 kg per ha tegen ca. Nfl 1,50 per kg) is het dus een
risico gewas. Vaak moeten de boeren geld lenen om zaaizaad te kunnen
kopen. Rente is meestal 20 tot 3 % per maand, groeiduur van het
gewas ongeveer 95 dagen....
Waarom doen ze het dan?
Het voornaamste gebruik van pinda is de olie (vandaar ook de naam olienootje),
dat hebben de mensen hard nodig. Die behoefte neemt langzamerhand af
omdat vooral zonnebloem en soja in opmars zijn. Ook al heeft een produkt
weinig waarde of levert het weinig winst op hebben de boeren vaak geen
andere keuze dan voortgaan met wat al generaties lang gedaan wordt.
Dit geldt vooral voor de arme streken zoals het Deccan plateau in centraal
en zuid India. Ik zou ook niet direct een alternatief voor ze hebben.
Eigenlijk zou dat hele gebied teruggebracht moeten worden in zijn oorspronkelijke
staat: savanne-bos.
Groei
je eigen pindaplantje !
Planten
Plant een rauwe, dus niet geroosterde pinda1)
in een potje van ca. 15cm doorsnee. Ongeveer 5 cm diep. De eerste
dagen kun je wat doorzichtig plastic over het potje spannen, en zet
het potje warm weg.
Groeien
De plant kan wel 60cm hoog worden ! Houdt de grond wel vochtig, maar
niet dat er water in staat.
Bestuiven
Na ongeveer drie maanden gaat de plant bloeien. Let op ! Ze groeien
maar een halve dag en dan moet je ze wel met een penseeltje bestuiven
(door wat stuifmeel op de stampers te smeren).
Vier dagen na de bloei groeit er een steeltje uit de bloem. Dit buigt
naar beneden en graaft zichzelf in de grond ! Schrijf de datum
in je agenda, want...
Drogen
Zes weken na de bloei moet je de grond droog gaan houden. Wel wat water
aan de plant geven, maar je wilt niet dat de pinda's gaan rotten. Voeg
nu wat kalk toe (tuincentrum, drogist, boer).
Een maand later kun je de pinda's oogsten.
Vergeet niet mij een emailtje te sturen !
1) Waar vind je nog een
rauwe pinda ? Probeer het eens bij een notenwinkel, vogelvoer, dierenwinkel,
dierentuin. Schrijf naar je favoriete pindaproducent. NB: pelpinda's
zijn WEL geroosterd !
Let erop dat het bruine vliesje er nog omzit, zodat het kiempje beschermd
blijft.